Laatste berichten

Vooruitblik

 

‘Johannes Passion’, Bachs eerste grote Passie

 

Johannes Passion

 

Wie op 7 april 1724 de Vesperdienst in de Nicolaikirche in Leipzig bezocht, was getuige van een bijzondere gebeurtenis. Voor het eerst klonk een grote passiemuziek van Johann Sebastian Bach. Voor de allereerste keer klonk het machtige openingskoor ‘Herr unser Herscher’ van de ‘Johannes Passion’.
Van oudsher zong men op Goede Vrijdag het lijdensverhaal volgens Johannes in een vierstemmige zetting van Johann Walther. Waar men in de twee hoofdkerken van de stad, de Thomaskirche en de Nicolaikirche, bleef vasthouden aan die traditie stond in de andere kerken van Leipzig de tijd niet stil. Daar experimenteerde men met passie-oratoria, waarin de evangelieteksten werden afgewisseld met instrumentaal begeleide aria’s en koren. Omdat de kerkgangers, gelokt door die muzikale rijkdom, op Goede Vrijdag begonnen uit te wijken, gingen de kerkbestuurders overstag.  In 1721 klonk in de Thomaskirche voor het eerst een muzikaal aangeklede versie van het lijdensverhaal. En zo begon Bach, als de kersverse cantor, in 1724 aan zijn grootschaligste stuk tot dan toe. De componist was nog op zoek naar de vorm. Hij beschikte nog niet, zoals later voor zijn ‘Matthäus Passion’, over een uitgewerkt libretto. 
Zijn leven lang bleef hij sleutelen aan zijn ‘Johannes Passion’. Hij verving aria’s, experimenteerde met een ander openingskoor. Maar uiteindelijk keerde hij met wat kleine aanpassingen terug naar het origineel.
De grote kracht van het werk schuilt in zijn directheid. Johannes vertelt het lijdensverhaal beknopter en dramatischer dan de drie andere evangelisten en Bachs muziek weerspiegelt dat perspectief. Het beschouwende karakter en de nadruk op de menselijk kant van Christus van de drie jaar later geschreven ‘Matthäus Passion’ ontbreken hier. Er zijn minder aria’s en ze worden slechts in een enkel geval voorafgegaan door een inleidend recitatief. De rol van het koor komt daarmee op de voorgrond. 
Bach heeft de koorgedeelten in een soort spiegelvorm geordend met het koraal ‘Durch dein Gefängnis, Gottes Sohn’ als hart van het stuk. In de uitgebreide turbae spreken de verschillende groepen mensen.

Solisten, Oratoriumkoor Kennemerland en Het Promenade Orkest o.l.v.Annelies Smit met de ‘Johannes Passion’ van J.S. Bach, op zaterdag 23 maart in de Adelbertuskerk in Haarlem. Aanvang: 20.00 uur.


Agenda

13 jul 2024
10:15 uur
Orgeldag
13 jul 2024
19:30 uur
Openingsconcert Orgelfestival
14 jul 2024
16:00 uur
Bruckner 7 op orgel

Nieuws

 

Pianist Ruben Plazier begint eigen serie in Haarlem

 

Ruben Plazier

 

Haarlem is een bijzondere concertserie rijker. De jonge pianist Ruben Plazier heeft in het Rosenstock-Huessy Huis een podium gevonden om zijn eigen serie ‘Experience Classique’ mee uit breiden. Aanstaande zaterdag vindt het eerste concert plaats. Dan brengt hij met de zussen Kristie en Karen Su een kerstprogramma voor twee violen en piano. Händel en Sjostakovitsj staan op het programma maar ook bewerkingen van ‘Smoke gets in your eyes’ en de Bloemenwals uit Tsjaikovski’s ‘Notenkraker’. Daarna komt Plazier, behalve in de zomer, elke maand terug. In totaal staan er voor 2024 tien concerten gepland.
De pianist, die aan het Rotterdams Conservatorium en bij Jean-Bernard Pommier in Parijs studeerde, begon vorig jaar in Dordrecht en Castricum zelf concerten te organiseren. “Ik ben met deze serie gestart omdat ik graag zelf wil bepalen welke muziek ik speel en ook hoe ik die presenteer”, licht hij toe. “Ik vind het leuk om verhalen te vertellen over de stukken die ik speel. Dat maakt het voor de luisteraar net wat makkelijker om van de muziek te genieten.” 
Een musicus die zelf wat vertelt over wat hij speelt, versterkt bovendien de verbinding met de luisteraar, vindt de pianist. “Die krijgt zo een beeld van de persoon die hij hoort spelen.”
In die verhalen gaat veel speurwerk zitten. Plazier steekt zijn licht op bij bevriende musici of duikt in zijn eigen omvangrijke bibliotheek.
Soms begint het programmeren met een verhaal. Zoals een reeks liederen van Poulenc, komend jaar op de agenda, die gebaseerd zijn op schilderijen. Maar meestal kiest Plazier muziek die hij gewoon heel erg mooi vindt en zoekt hij de verhalen er vervolgens bij. Zijn muzikale smaak is breed. Die loopt, zegt hij, van het vroegste pianorepertoire uit de barok tot in de 20ste eeuw. “De muziek moet wel goed begrijpelijk zijn voor het publiek.”
Als het kan voegt hij een klein theatraal gebaar toe aan het concert. “Ik speelde bijvoorbeeld een werk van Poulenc waar de componist boven heeft geschreven dat het stuk het best tot zijn recht komt met een glas cognac en een sigaar in de mond. Toen heb ik het publiek voorzien van een klein glaasje cognac. Geen groot theater hoor want het gaat tenslotte om de muziek. Maar ik vind het leuk om teen beetje te experimenteren. In de praktijk merk je wel of iets werkt of niet. Zo blijf ik aan de formule vijlen.”
En na afloop van ieder concert is er een borrel. “Dat vind ik heel belangrijk”, zegt Plazier. “In Nederland is dat niet zo gebruikelijk. Hier loopt een deel van het publiek al tijdens de toegift weg om snel naar huis te gaan. Maar in het buitenland gebeurt het bijna altijd.  Voor mij is een concert ook een plek waar mensen elkaar kunnen ontmoeten. De muzikanten zijn ook bij de borrel zodat de luisteraars niet naar de artiestenkamer op zoek hoeven om met ze te praten.”
De pianist speelt tijdens bijna alle concerten ook zelf. Zo geeft hij in oktober een solo-recital gewijd aan Chopin. Maar hij nodigt ook vrienden uit en musici die hij heeft ontmoet. Zoals Luc Tooten, voormalig solo-cellist van het Brussel Philharmonic, die in februari aantreedt voor een programma met trio’s van Kreisler en Smetana. Of sopraan Anne Cambier met wie hij in april een liederenprogramma brengt.
In Dordrecht speelt Plazier na een jaar steevast voor een volle zaal. Nu slaat hij zijn vleugels verder uit. “Ik hoop in Haarlem ook een community op te bouwen.”

Voor meer informatie zie: www.experienceklassiek.nl


Vooruitblik

Oscar van Hemel: Strijkkwartet no. 4 (1953)

Moderne muziek in een vertrouwd jasje

In de jaren ’50 en ’60 was Oscar van Hemel (1892-1981) een van de meest gespeelde Nederlandse componisten. Tegenwoordig hoor je zijn werken nog maar zelden. En dat is jammer want Van Hemel giet moderne technieken in herkenbare vormen en schrijft met soms complexe procedé’s zeer toegankelijke muziek.
Van Hemel werd in Antwerpen geboren maar ontvluchtte België tijdens de Eerste Wereldoorlog en is daarna altijd in Nederland blijven wonen. Aanvankelijke ontplooide hij zich als violist en docent. Op zijn veertigste nam hij compositieles bij Willem Pijper. Na de Tweede Wereldoorlog gaf hij zijn carrière als uitvoerend musicus op en wijdde hij zich aan het componeren. Hij verhuisde van Bergen op Zoom naar Hilversum, waar hij veel muziek schreef in opdracht van de omroepen. Zo schiep hij een breed oeuvre met onder meer twee opera’s, zes symfonieën, koorwerken en een grote hoeveelheid kamermuziek.
Het vierde van zijn zes strijkkwartetten is een mooi voorbeeld van Van Hemels stijl. De componist heeft het houvast van de tonaliteit losgelaten maar de traditionele vorm van het genre staat als een huis. In net iets meer dan een kwartier passeren de vier gebruikelijke delen van het klassieke strijkkwartet. In het eerste daarvan worden twee sprekende thema’s – het ene spits en krachtig, het andere meer zangerig – uitgewerkt volgens de sonatevorm. Daarna volgt een reeks variaties op een lyrische melodie. Het langzame deel heeft hier opvallend genoeg de structuur van een fuga waarin de verschillende stemmen elkaar navolgen in een complex lijnenspel. Toch is de sfeer eerder melancholiek dan verstandelijk. Het slotdeel, waarin de strijkers pakkertje lijken te spelen, wisselt weer twee heel verschillende thema’s af.

Op zaterdag 10 februari om 20:15 uur speelt het Viride Kwartet in het Kunstfort bij Vijfhuizen onder andere het Vierde strijkkwartt van Oscar van Hemel. Daarnaast klinken het Strijkkwartet van Henriëtte Bosmans, het Tiende strijkkwartet van Schubert en het Derde strijkkwartet van Tsjaikovski.


Ralph Vaughan Williams, Dona nabic pacem (1936)

Een meer dan actuele schreeuw om vrede

 

Poster Oorlog en vrede

 

In 1936 vroeg de Huddersfield Choral Society aan componist Ralph Vaughan Williams een stuk te schrijven voor het 100-jarige bestaan van het koor. Het leverde geen feestelijk gelegenheidswerk op maar een aangrijpende roep om vrede, een voorloper van Brittens ‘War requiem’, een helaas nog altijd actuele hartekreet. Vaughan Williams bracht delen uit de katholieke mis en teksten uit de bijbel samen met gedichten van de bewonderde Amerikaanse dichter Walt Whitman en een passage uit een politieke speech.
De componist verkeerde halverwege de jaren ’30 in geestelijke onrust. Op zijn 42ste had hij de verschrikkingen van de oorlog aan den lijve ondervonden toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog als vrijwilliger werkte aan het front in Frankrijk. Nu zag hij met de Italiaanse verovering van Abessinië en de opkomst van Hitler-Duitsland een nieuwe wereldbrand aankomen.
Vaughan Williams beschrijft in zijn helaas nog altijd al te actuele ‘Dona nobis pacem’ een weg van wanhoop naar hoop, van donker naar licht.
De sopraansolist smeekt het aan het begin van het stuk, het koor schreeuwt het haast wanhopig uit: “Geef ons vrede”. De mokerende accenten van het koper en het slagwerk, die herinneren aan het door Vaughan Williams bewonderde Requiem van Verdi, beloven weinig goeds. Die koperblazers en de percussionisten spelen overigens een belangrijke rol in het stuk. Ze vertegenwoordigen in het ‘Beat! Beat! Drums!’ met hun roffels en krijgslustige signalen het rauwe, dissonante geluid van de oorlog. Ze houden zich stil in het derde deel, dat over verzoening gaat. Ze verklanken in ‘Dirge for two veterans’ de rouwstoet die twee gesneuvelde soldaten, een vader en een zoon, naar hun laatste rustplaats brengt. Tromgeroffel begeleidt de angstaanjagende woorden van de Engelse politicus John Bright die halverwege de 19de eeuw waarschuwde voor de Krim-oorlog. Plechtige koperklanken ondersteunen de bariton als hij zingt: “ O man greatly beloved, fear not, peace be unto thee”.  En een zoetgevooisd klokkenspel voegt zich bij het slagwerk voor een uitbundig Gloria.

Onder leiding van dirigent Bernhard Touwen voert het Concertkoor Haarlem samen met Het Promenade Orkest ‘Dona nobis pacem’ van Ralph Vaughan Williams uit als onderdeel van het concert ‘Oorlog en vrede’ op zondag 11 februari om 15.00 uur in Phil in Haarlem. Op het programma staan verder de ‘Five mystical songs’ van Vaughan Williams en de Paukenmesse van Joseph Haydn. Voor meer informatie zie: www.concertkoorhaarlem.nl


 

Haarlems Concertgebouw Phil viert 150 jarig bestaan

 

De Grote Zaal van het Gemeentelijk Concertgebouw voor de plaatsing van het orgel. Bron: Noord-Hollands Archief

Het is vrijdag 13 juni 1873. Een lange stoet heren en dames in avondkledij stroomt de gloednieuwe concertzaal van de Haarlemse sociëteit ‘Vereeniging’ binnen. In zijn inwijdingsrede spreekt de voorzitter van de sociëteit van “een groote aanwinst” voor Haarlem. Na het openingsconcert gaan de 1600 stoelen de zaal uit en kan het bal beginnen.

Het Haarlems concertgebouw Phil viert zijn 150-jarig bestaan met een reeks concerten die getuigen van het rijke verleden. Want wat ooit begon als de grote zaal van herensociëteit ‘Vereeniging’ is in anderhalve eeuw uitgegroeid tot een belangrijk podium waar grote componisten, vooraanstaande musici en beroemde artiesten hun opwachting maken.

De sociëteit ‘Vereeniging’ bestaat in 1873 al zeventien jaar. Het gebouw aan de Lange Begijnestraat groeit al snel na de oprichting uit zijn jasje. Naar een ontwerp van architect A. van der Steur wordt een nieuwe zaal gebouwd. Die levert volgens de Opregte Haarlemsche Courant “in haren eenvoudigen, maar schoonen bouwtrant, met haar ruim orchest en nette versiering” een “treffende aanblik” op.
De nieuwe zaal werkt als een magneet. De ‘Haarlemsche Orkest Vereeniging’ speelt er, de Bach-vereniging organiseert er concerten. Musici uit binnen- en buitenland komen er optreden. Willem Mengelberg en zijn Concertgebouworkest treedt er regelmatig op net als uit het Haagse Residentie Orkest.

Cavaillé-Coll-orgel

We schrijven 14 oktober 1924. Eindelijk is het zover: het befaamde Cavaillé-Coll-orgel dat eens in het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt stond, heeft eindelijk zijn plek gevonden in de Grote Zaal. “Een gebeurtenis die”, zoals burgemeester Maarschalk in zijn openingstoespraak zegt, “in de annalen van het Haarlemsche muziekleven met gulden letteren zal worden geboekstaafd”. Er is heel wat water door het Spaarne gevloeid sinds twee muziekminnende zakenmannen uit Aerdenhout en Bloemendaal het in onbruik geraakte orgel uit het Amsterdamse Paleis voor Volksvlijt gekocht hebben en aan de gemeente Haarlem cadeau hebben gedaan. Eén voorwaarde hadden ze: er moest een geschikte plaats voor het orgel worden gevonden. Dat bleek nog niet zo eenvoudig. De concertzaal van ‘Vereeniging’ leek de meest logische bestemming. Maar het bestuur van de sociëteit ziet de komst van zo een groot orgel niet zitten. De bouw van een gloednieuw concertgebouw blijkt te begrotelijk. Uiteindelijk neemt de gemeente het gebouw van ‘Vereeniging’ over.

Vele organisten hebben sindsdien het symfonische instrument laten bulderen en zingen, solo of samen met koor of orkest. Op woensdag 13 september voegt Aart Bergwerff de orgelregisters bij de klank van twee vleugels in een bijzondere uitvoering van ‘Canto Ostinato’ van de 100 jaar geleden geboren componist Simeon ten Holt.

Ravel

Het is 5 april 1932: een schrijver van het Haarlem’s Dagblad ziet een “rustige, kleine, vriendelijke Franschman” het podium betreden. Het is Maurice Ravel die zijn eigen Pianoconcert dirigeert. Al vindt hij “de bouw en de structuur van zoo’n werk volstrekt niet ineens te doorgronden voor een gewoon mensch die van muziek houdt”, hij meent dat “Ravel’s scheppingen, ook deze, altijd weer boeien, bekoren, meeslepen, dat ge de goddelijke inspiratie voelt en in een geestdriftige hulde deelneemt”.

Op zondag 17 september klinkt Ravels pianoconcert opnieuw op het podium van Phil. Dan soleert Daniel Ciobanu bij het Nederlands Philharmonisch Orkest onder leiding van Stanislav Kochanovsky.

Klavierleeuwen

De kalender wijst 17 november 1937 aan. De pianist Arthur Rubinstein, volgens het Haarlem’s Dagblad “een solist van wereldvermaardheid, een dier grooten die tot een superklasse behooren” betreedt het podium. De Russische klavierleeuw is niet voor het eerst in Haarlem. Sinds de vorige keer, twee jaar eerder, is hij duidelijk ouder geworden, maar zijn spel klinkt nog even fris. Begeleid door het Residentie Orkest onder leiding van Issay Dobrowen speelt hij het Vierde pianoconcert van Beethoven. Het publiek is laaiend enthousiast.

Vele (meester)pianisten zullen Arthur Rubinstein nog volgen. Onder hen zijn ook de broers Arthur en Lucas Jussen die, alleen of samen, al vele malen in Phil te gast waren. Op zondag 10 september spelen ze muziek van Bach en Brahms, van Ravel en Fauré, van Kulenty en Gershwin. Ook de jonge Oekraïense pianiste Anna Federova is een goede bekende in Phil. Samen met een groep muzikale vrienden speelt zij op zaterdagmiddag 16 september onder andere het Trio élégiaque van Rachmaninov, die zelf ook ooit nog in Phil optrad.

 


Terugblik

Week 6

Concertkoor Haarlem maakt indruk met intense roep om vrede

Bernhard Touwen, sinds 2022 dirigent van het Concertkoor Haarlem, weet hoe hij een prikkelend en betekenisvol programma moet samenstellen. Joseph Haydn en Ralph Vaughan Williams zul je niet snel gebroederlijk naast elkaar aantreffen. Toch vonden beide componisten elkaar in het helaas nog altijd actuele programma ‘Oorlog en vrede’. Dat bracht twee contrasterende stijlen maar ook twee verschillende visies op de oorlog samen.
Haydn schreef zijn Mis ‘In tempore belli’ (In oorlogstijd) terwijl de Franse legers tegen Oostenrijk oprukten.  Maar de verschrikkingen van de strijd zijn in dit meest feestelijke stuk ver weg. Hier wordt vooral de overwinning gevierd, niet vreemd want Haydn schreef het stuk ter herdenking van de gewonnen slag tegen de Turken in 1683. Touwen liet zijn Concertkoor Haarlem hier helder stralen. De militaire ritmes van het Credo klonken mooi strak en het contrast met de meer ingetogen delen kwam goed uit de verf.
Maar de meeste indruk maakte het koor toch in het tussen de twee wereldoorlogen geschreven ‘Dona nobis pacem’ van Vaughan Williams, een verpletterende roep om vrede. Hier liggen de dreiging, de pijn en het leed veroorzaakt door oorlog aan de oppervlakte. De zangers voelen zich duidelijk thuis in de soms schurende dan weer harmonieuze samenklanken van dit stuk dat zich beweegt tussen donker en licht, vrees en hoop, Verdiaanse dramatiek en tedere lyriek. 
Het koor had sopraan Marcelina Román uit Barcelona laten invliegen. Dat bleek geen verspilde moeite. Román zingt zonder forceren moeiteloos boven het orkest op oorlogssterkte uit, maar ze legt even makkelijk een indrukwekkende intensiteit in haar fluisterzachte smeekbedes. Bariton Robbert Muuse zingt meer ingetogen maar niet minder expressief.
Een link tussen de werelden van Haydn en Vaughan Williams ligt in de belangrijke rol van het slagwerk – niet voor niets heeft Haydns mis de bijnaam Paukenmesse gekregen. De paukeniste van Het Promenade Orkest, prominent vooraan het podium gezeten, had het dan ook druk. Samen met de andere orkestleden speelde ze met bezielde inzet, stevig aangevuurd door dirigent Touwen.
Tussen beide oorlogswerken klonken de ‘Five mystical songs’, die Vaughan Williams in 1911 componeerde. Maar spreken van een tussendoortje zou geen recht doen aan deze prachtige, lyrische muziek en evenmin aan de gloedvolle uitvoering door het Concertkoor Haarlem, Het Promenade Orkest en baritonsolist Muuse.


Klinkend Haarlem - webkrant voor klassieke muziek in en om Haarlem